Deel 133 van “Wembley”

Richard Osinga publiceert zijn boek Webley op ruim 200 verschillende weblogs, voordat het boek op 1 juni bij Querido uitkomt:

De bedoeling is dat elk stukje op een ander weblog verschijnt, met een link naar het volgende stukje.

Als je een weblog hebt, kun je meedoen. Het werkt heel eenvoudig. Geef je op en je krijgt een stuk van de tekst van het boek. Kopieer het en plak het op je eigen site.

Lees hier fragment 133…

wembley
Dit is fragment nummer 133 van het boek “Wembley” van Richard Osinga.

Hij bracht me naar het stadion van Olympique. Er waren veel andere jongens, de meeste een stuk jonger dan ik. We werden in twee teams verdeeld en moesten een wedstrijd spelen. Het team waarin ik ingedeeld was, was duidelijk zwakker. Ons middenveld kreeg geen grip op het spel en kon niet voor aanvoer naar de spitsen zorgen. Ik stond te wachten bij de middenstip. Alleen na een goal van de tegenstander kreeg ik de bal, om af te trappen.
Ik scoorde een keer. Het was een goede actie. Ik pikte een bal op die door een van onze verdedigers werd weggetrapt, kapte mijn verdediger uit en schakelde op snelheid de laatste man uit.
We verloren met vier-één.
Na de wedstrijd moesten we allemaal op een rij gaan staan en ons shirt uittrekken. Drie mannen bekeken ons goed. Soms voelden ze aan onze schouderbladen of vroegen ze een van ons de mond te openen en keken ze naar zijn tanden. Ze stelden een paar vragen aan iemand en liepen weer verder. Mijn schoonvader was bij me komen staan. Hij legde zijn hand op mijn schouder.
‘Hoe oud is hij?’
‘Achttien,’ loog mijn schoonvader.
‘Dat is oud,’ zei de man met een zuur gezicht. ‘Bijna te oud. Je weet toch wel zeker dat hij niet ouder is dan dat?’
Mijn schoonvader knikte.
De man liep om me heen. Voelde aan mijn botten, mijn schouderbladen. Hij keek in mijn mond. Hij stelde me vragen over wanneer ik naar school was gegaan en of ik me bepaalde dingen herinnerde, een grote overstroming, de naam van een president van het land, de dag waarop de grote markthal in de hoofdstad afbrandde. Ik zei naar waarheid dat ik me niet kon herinneren wanneer ik naar school gegaan was en dat ik niets wist van de gebeurtenissen waarover hij het had.
‘Wat is de eerste voetbalwedstrijd die je je herinnert?’
Ik dacht na. Ik had zoveel wedstrijden gezien. Ik herinnerde me hoe ik als kleine jongen televisie keek in het cafe van oom Tivu. Ik zat op de grond. Overal mannen die bier dronken en luid joelden naar de dochters van oom Tivu. Zo mooi zijn die niet, maar als de mannen dronken zijn, dan joelen ze snel.
‘Argentinië-Engeland. De hand van God.’
De man dacht even na en schudde toen zijn hoofd. Hij stapte naar de volgende.
‘Hoe oud ben jij?’
‘Zestien.’
‘Kan niet.’
‘Echt waar. Ik ben groot en sterk voor mijn leeftijd, maar ik ben geen dag ouder dan zestien.’
Mijn schoonvader zei niets de hele weg terug.

Naar het beginDoe meeLees verder >>